Bestuurders en commissarissen van Landis aansprakelijk

Bestuurders en commissarissen van Landis aansprakelijk

Op 19 juni 2013 heeft de rechtbank Midden Nederland (Utrecht) de bestuurders en commissarissen van het Landis ICT concern aansprakelijk geacht voor vrijwel het gehele tekort van EUR 45 miljoen ten gevolge van het faillissement van Landis. Volgens de uitspraak van de rechtbank is op meerdere vlakken sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur en van kennelijk onbehoorlijk toezicht op het bestuur door de commissarissen.

In een 144 pagina's tellende uitspraak komt een onthutsend beeld naar voren van een concern dat na de beursgang in 1998 volledig uit zijn voegen groeide en een bestuur dat zich uitsluitend richtte op de aandelenkoers en een agressief overnamebeleid dat in 2002 leidde tot het faillissement van Landis.

De curatoren van Landis hebben er al inmiddels een traject op zitten  van meer dan tien jaar voordat de rechtbank een oordeel heeft gegeven over het handelen van het bestuur en oordeelt wie voor de ontstane schade aansprakelijk is. Te verwachten is overigens dat er door het bestuur en de commissarissen hoger beroep tegen de uitspraak zal worden aangetekend. Aangezien er ook eerder in een enquêteprocedure door de ondernemingskamer van de rechtbank Amsterdam is vastgesteld dat sprake is geweest van wanbeleid, is het overigens maar zeer de vraag of dit zal slagen.

Boekhoudplicht

De verwijten die de betrokkenen worden gemaakt, hebben voornamelijk te maken met de staat van de boekhouding van Landis en het overnamebeleid in de jaren 1999-2001.

Landis maakte een sterke groei mee en er was en ambitieuze strategie uitgezet. De interne boekhouding bleek echter met structurele achterstanden te maken te hebben, waardoor er geen betrouwbare financiële informatie beschikbaar was op basis waarvan een verantwoord financieel beleid kon worden gevoerd. Op diverse momenten zijn deze problemen aan de orde geweest binnen het management en ook de accountant heeft problemen gesignaleerd, maar niemand heeft concrete stappen ondernomen om de problemen daadwerkelijk op te lossen.

Door de agressieve overnamestrategie werd de administratie nog verder onder druk gezet. Het aantal werknemers is gegroeid van 338 in 1998 naar ruim 3200 eind 2000. De keuze om de nieuwe aanwinsten steeds te integreren in het centrale Landis systeem (zowel voor administratie als inkoop) bleek desastreus.

Interessant in de uitspraak is het oordeel van de rechter of de administratie voldeed aan de vereisten van artikel 2:10 Burgerlijk Wetboek. De wet bepaalt dat de boekhouding zodanig moet zijn ingericht dat hieruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de vennootschap moet blijken. De bestuurders van Landis betoogden dat dit ondanks de achterstanden wel het geval was, want met de aanwezige administratie was het wel degelijk mogelijk deze informatie na verwerking te verkrijgen. Zij betoogden voorts dat fouten in de volgens de curatoren onjuiste jaarrekeningen niet behoorden tot deze administratieplicht.

De rechtbank verwerpt beide verweren.  Nu de administraties van de dochterondernemingen niet aansloten bij die van de moedervennootschap, was geen sprake van een betrouwbaar  inzicht in de cijfers van de binnen- en buitenlandse dochters van wiens resultaten het concern afhankelijk was. Met name het gebrek aan inzicht in de debiteurenportefeuille(s) wordt als een belangrijke tekortkoming gezien. Deze informatie was nodig om een verantwoord beleid te voeren en de groeistrategie te bepalen.

Ten aanzien van de jaarrekening oordeelt de rechtbank op basis van de wetsgeschiedenis dat tot de verplichtingen volgend uit de boekhoudplicht behoort het opstellen van een balans en winst- en verliesrekening. Onjuistheden die volgen uit de in de jaarrekening opgemaakte balans en winst- en verliesrekening, kunnen aldus de rechtbank wel degelijk betekenen dat de boekhoudplicht van artikel 2:10 Burgerlijk Wetboek is geschonden.

Window dressing

De rechtbank heeft tevens in haar beoordeling, dat het bestuur een ernstig verwijt gemaakt kan worden, meegenomen dat de jaarrekeningen van 1999 en 2000 een onjuist en geflatteerd beeld geven van de winsten van het Landis concern. Het bestuur heeft de cijfers van haar dochterondernemingen zonder plausibele verklaring bij het consolideren van de cijfers bewerkt zodat er een positief resultaat werd geboekt, ondanks dat er na de overname van verschillende verlieslatende bedrijven operationele verliezen werden geleden. Verliezen werden weggemoffeld onder buitengewone lasten in plaats van in mindering te worden gebracht op het resultaat en de kosten van de overnames werden onjuist of onvolledig verwerkt.

Feitelijk was er op grote schaal sprake van "window dressing" om de beurskoers hoog te houden en de financiers van Landis tevreden te houden. De accountant van Landis is eerder tuchtrechtelijk veroordeeld voor deze handelwijze. Ver voor het Enron schandaal bleek ook in Nederland het nodige mis met de accounting standaarden.

Tegenstrijdig belang

Bij een van de overnames blijkt een van de commissarissen zowel aandeelhouder als schuldeiser te zijn geweest van de overgenomen vennootschap. Ondanks dit tegenstrijdig belang is de transactie doorgegaan zonder dat de juiste procedures bij tegenstrijdig belang zijn gevolgd. De betreffende commissaris ontving daarnaast betaling van diens schuld op zodanige wijze (via aandelenuitgifte) dat hij uiteindelijk 130% van zijn vordering betaald kreeg terwijl het overgenomen bedrijf volgens de curatoren technisch failliet was.

Overnamebeleid

De curatoren verwijten het bestuur en de commissarissen tevens dat zij het overnamebeleid niet hebben gestoeld op voldoende deugdelijk financieel onderbouwde informatie. In drie jaar tijd zijn 10 bedrijven overgenomen voor een bedrag van EUR 376 miljoen. Er ontbraken bij de voorbereiding volgens de rechtbank voor toetsing van de overname basale gegevens ter waardering van de over te nemen onderneming, zoals een gebruikelijke toekomstprojectie van de kasstromen die met de overname bereikt kunnen worden en het stellen van een rentabiliteitseis aan de over te nemen activiteiten.

De bestuurders hebben hiertegen aangevoerd dat dit in de hype rond ICT bedrijven eind jaren 90 niet de norm was. Er waren zeer hoge toekomstverwachtingen en snelheid van handelen was geboden om de concurrentie voor te blijven. Er werden wel analyses gemaakt, maar aan rentabiliteit werd geen waarde gehecht. Dit mag de bestuurders echter niet baten. Als beursgenoteerde onderneming mocht -aldus de rechtbank- van Landis worden verwacht dat zij een voldoende diepgaande financiële analyse maakte voordat de overname plaats vond. Zowel de bestuurders als commissarissen zijn hierin tekort geschoten, zeker nu de overnames veelal gefinancierd werden met uitgifte van nieuwe aandelen van Landis.

Door het overnamebeleid is tevens de solvabiliteit van Landis tot een onverantwoord laag niveau gedaald, terwijl uit de aard van een aantal van de overgenomen activiteiten volgde dat de solvabiliteitspositie juist versterkt had moeten worden om verantwoord door te kunnen ondernemen. Dit hadden de bestuurders en commissarissen moeten onderkennen, maar hebben zij niet gedaan.

Tenslotte

In de uitspraak komt naar voren dat het bestuur en de commissarissen niet berekend waren op hun taken in een scenario waarbij het concern exponentiële groei mee maakte. Zo was er geen zittende commissaris die voldoende financieel onderlegd was om het bestuur afdoende te controleren. Ook worden vraagtekens gezet bij het bestuur. Diverse van de eigen procedures voor "best practice" binnen Landis zijn stelselmatig niet nageleefd.

Al is de zaak (wellicht nog lang) niet ten einde, het ziet er niet bepaald positief uit voor de veroordeelde bestuurders en commissarissen.

Heeft u nog vragen of wenst u informatie op het gebied van bestuurdersaansprakelijkheid, neem dan contact op met Maria Bowmer.

Neem contact op


Naar het overzicht