Uitwinning van inventarisgoederen: wedloop tussen bank en fiscus

Uitwinning van inventarisgoederen: wedloop tussen bank en fiscus

Ondernemers hebben voor hun bedrijf financiering nodig. Hier staat tegenover dat de financierende bank soms verstrekkende zekerheden zal vragen.

De gehele voorraad, inventaris, debiteuren en eventueel onroerende zaken worden volledig verpand of verhypothekeerd. Dit laat bij faillissementssituaties weinig ruimte voor betaling van de overige schuldeisers. De bank executeert alle activa en de rest heeft het nakijken.

Van oudsher heeft de fiscus een wapen om zijn positie tegenover de zekerheidsgever veilig te stellen: het bodemrecht. Dit recht geeft de fiscus kort gezegd voorrang boven de pandhouder op de inventaris en bedrijfsuitrusting van de onderneming, mits de goederen zich “op de bodem” van het bedrijf bevinden. Dit betekent dat de fiscus in ieder geval een deel van de opbrengst naar zich toe kan trekken. Dit bodemrecht strekt zich niet alleen uit tot goederen van de ondernemer zelf, maar ook goederen van derden, die ten dienste staan van de bedrijfsvoering, zoals bijvoorbeeld geleaste of gehuurde machines en onder eigendomsvoorbehoud geleverd meubiliar. De fiscus kan ook na faillissement beslag leggen en dan zal de eigenaar moeten aantonen dat er sprake is van reële eigendom.

 Sinds enige jaren worden echter constructies toegepast die er voor zorgen dat de fiscus achter het net vist. Dit zijn constructies waarmee de “bodem” onder de goederen vandaan wordt gehaald. Dit gaat als volgt: de ondernemer zegt de huur van het pand op, de bank sluit vervolgens een nieuwe huurovereenkomst. De bank neemt daarmee de goederen in feite in (vuistpand) en ontneemt aan de goederen het karakter van bodemgoederen. Bodemverhuur is overigens niet voldoende. Volgens vaste richtlijnen en rechtspraak moet na verhuur de oorspronkelijke ondernemer geen enkele toegang meer hebben tot de goederen, anders prikt de fiscus hier doorheen. Vaak wordt dan ook een ander slot op de deur gehangen en betekent bodemverhuur het einde van de bedrijfsactiviteiten. De bodemverhuurconstructie moet wel worden toegepast voordat de fiscus “bodem”beslag heeft laten leggen.  Als eenmaal beslag gelegd is, kan de bodem niet meer van kleur wisselen.

In een wettelijke regeling, die per 1 januari 2013 van kracht is geworden, wordt beoogd bodemverhuurconstructies tegen te gaan. De regeling komt er kort samengevat op neer dat de houder van zekerheid op inventarisgoederen (pandhouder, verhuurder, lessor, levering onder eigendomsvoorbehoud) van te voren melding moet maken van opeising van bodemzaken aan de fiscus, waardoor de zaken hun karakter van bodemzaken zullen verliezen. De fiscus (de ontvanger) heeft dan vier weken de tijd om bodembeslag te leggen of een verklaring af te geven dat  geen actie zal worden ondernemen. Wordt bodembeslag gelegd, zal de zekerheidsgerechtigde moeten aantonen dat sprake is van “reële” eigendom, hetgeen bij verpanding in ieder geval niet aan de orde is. Legt de fiscus beslag, dan zullen de banken dus juist achter het net vissen.

De regeling heeft dus verstrekkende gevolgen indien inventarisgoederen moeten worden opgeëist in geval van wanprestatie van de schuldenaar. Als er niet wordt gemeld, is de sanctie dat de opbrengst of executiewaarde aan de fiscus (of curator ten behoeve van de fiscus) moet worden afgedragen, ongeacht of er sprake is van reële eigendom of niet. De wetgever heeft de regeling wel beperkt tot goederen met een waarde van in totaal meer dan € 10.000.

Het verdient, nu de richtlijnen voor handhaving van deze nieuwe wetgeving nog in ontwikkeling zijn, aanbeveling om juridisch advies in te winnen indien u geconfronteerd wordt met een situatie waarbij zekerheden moeten worden uitgewonnen. Indien u informatie of advies hierover wenst, dan kunt u contact opnemen met Maria Bowmer of Pim Nuiten.

Neem contact op


Naar het overzicht